Nieuws

DEN BOSCH – Er komt geen referendum over de komst van een asielzoekerscentrum (azc) in ’s-Hertogenbosch. De rechtbank Oost-Brabant besliste vandaag dat de gemeenteraad een verzoek hiertoe mocht afwijzen. De raad van de gemeente ’s-Hertogenbosch verleende in april 2015 medewerking aan de vestiging van een azc.

In november dienden de raadsleden van de Bossche Volkspartij het initiatiefvoorstel “Geen azc in ’s-Hertogenbosch” in en vroegen de raad om zijn medewerking in te trekken. Vervolgens verzocht een inwoner van de gemeente tot het houden van een referendum over het initiatiefvoorstel van de Bossche Volkspartij. Toen de raad dit afwees, stapte de initiatiefnemer naar de rechter. In februari van dit jaar verklaarde de voorzieningenrechter het verzoek om de werkzaamheden voor de komst van het azc stil te leggen, niet-ontvankelijk. In de huidige zaak beoordeelt de rechtbank of de raad het verzoek tot het houden van een referendum mocht afwijzen.

De initiatiefnemer meent dat de raad dit niet mocht, omdat zijn verzoek aan alle vereisten voldoet die de referendumverordening ’s-Hertogenbosch 2014 stelt. Volgens de raad is een referendum niet bedoeld om al genomen raadsbesluiten terug te draaien. Het zou de uitvoering van raadsbesluiten ernstig bemoeilijken als elk genomen besluit door het indienen van een initiatiefvoorstel en referendumverzoek, opnieuw ter discussie kan worden gesteld. De raad stelt dat de initiatiefnemer in april 2015, toen het nog om een conceptbesluit ging, zonder enig bezwaar een referendumverzoek had kunnen indienen. Ook meent de raad dat de verordening een referendum over een al genomen raadsbesluit uitsluit.

Oordeel bestuursrechter
De rechtbank stelt voorop dat het hier gaat om een verzoek dat ziet op een concept-raadsbesluit en niet op een al genomen raadsbesluit. De verordening sluit een verzoek voor een referendum voor dit besluit dan ook niet uit. Toch verklaart de rechtbank het beroep van de initiatiefnemer ongegrond. De raad heeft volgens de tekst van de verordening namelijk de vrijheid om te beslissen of het verzoek tot het houden van een referendum wordt ingewilligd. De rechtbank moet zo’n besluit met de nodige terughoudendheid toetsen. Die terughoudendheid betrachtend oordeelt de rechtbank dat de raad die keus bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid kon nemen. Daarbij mocht de raad betrekken dat het de rechtszekerheid en slagvaardigheid niet ten goede komt als aanvaard zou worden dat er via een ‘omweg’ alsnog een referendum komt, terwijl hier bij de totstandkoming van het besluit niet om is verzocht en de uitvoering van het besluit inmiddels in gang is gezet.